Bron: de Amstelgids 5 juni, 3 en 17 juli 1969.

De overbrugging van de Amstel bij Ouderkerk

Nu onze omgeving „verrijkt" wordt met een naar gezegd wordt — tijdelijke — tweede verbinding van de Amsteloevers, willen we even omzien naar de overbruggingen in de rijke historie van Ouderkerk.
Wanneer de eerste brug werd gelegd, we weten het niet.
Wel dat deze in het midden van de 16e eeuw in verval raakte, zodat er een veer voor in de plaats kwam.
In 1613 — dus tijdens het Twaalfjarig bestand — wordt binnen vier maanden een nieuwe brug gebouwd.

De overbrugging van de Amstel is zeker van vroege tijd en gaat wellicht terug tot de 13e eeuw, in een tijd dat de ingezetenen van Amsterdam, voor de St. Nicolaas kerk daar was gesticht ea tot parochiekerk verheven, nog ter kerke gingen naar de Kerspelkerk van „Oude Aemstele", of Ouderkerk.
Deze naam zelfs schijnt daardoor verklaard te kunnen werden.
Voor het eerst wordt over de lange brug te Ouderkerk geschreven in een velerleibrief van Willem van Beijeren uit het jaar 1356; „ende die hofsteden liggen int dorp tot Aemstel bi de brugge, en die timmeringen liggen after dorp" (Rijks-Archief Haarlem).
En twee jaar later in een soort gelijke brief van hertog Albrecht; „voert (verder) twee hofsteden die gelegen zijn in 't dorp ter Ouder-Aemstel op beyer zijden van de brugge ende een tuyn, die gelegen is after dorp" (Rijks-Archief Haarlem).

In een charter uit 1386 geeft hertog Albrecht van Beyeren twee nessen lands in erfleen aan Simon van der Souyer;
„die ghelegen zijn in den lande van Aemstel in den ambachte van Aemstelreveen … ende streckend langhs der Aemstel bi der brugghe van der Onderkerke ende van Aemststelreveen" (Groot-Charterboek).
Let wel, in 1236 bestond de brug; hoe lang al, is niet bekend.
De bouw ervan was door graaf Willem bekostigt en voor het passeren, zowel te water als te land, werd tol geheven.
De brug was dus een bron van inkomsten voor de landheer.
In 1529 verkreeg de stad Amsterdam, die de heerlijkheid van Nieuwer-Aemstel in 1399 had aangekocht van Koen van Oosterwijk, het recht om bruggeld te heffen, om de kosten van onderhoud aan de brug te bekostigen.
En toen er verschil van mening ontstond:
„nopende de betalingen van 't bruggelt ter Ouder-Aemstel werd in een officieel schrijven in 1514 in naeme van derzelve dorpe geconsenteert, dat allen gebueren van der Nyeuwer-Aemstel gehouden sullen wezen te geven een deel, elken reyze zij over de voorz. bruggen passeeren ende mits desen sal te nijtte wesen, (en daarmee zal vervallen zijn), zulcken bijlen of stucken henneps als zij jairliexs dairvan (daarvoor) plegen te geven."

Van brug tot pont

In dit tijdperk is de brug knap in verval geraakt.
Blijkens een post van de thesaurie-rekening van 1531 uitgetrokken, was reeds door Pieter-Colijn burgemeester en Heynian-Jaeobz. ambachtsheer van Ouder-Aemstel gesprekken gevoerd over het leggen van: „eene niewe brugge tot Ouderkerck".
Deze gesprekken liepen op niets uit zoals blijkt want de brug verviel tot schouw.
In die tijd heerste in deze omgeving armoede op grote schaal.
Het aantal haardsteden was met de helft teruggelopen, van 160 tot 8O.
Met de welvaart van de overgebleven inwoners was het niet bijster best gesteld.
De brug deelde in de algemene malaise en verdween van het toneel.
Maar niet voor zo heel lang. Op 12 juni 1613 werd besloten:
„alzoo de schouw tot Ouderkerk deur outheyt zulcx vergaen ende gestelt is, dat deselve noode (noodzakelijk) moet worden vernieuwt, ende ven ander in de plaetse gemaekt, ofte een brugh geleyt, geleyck van ouds her gepraciseert is geweest: soe is, nae voorgaende deliberatie hierop gehouden ende gediscoureert.
't Welck van twee het beste, bequaemste ende dienstelijckste dient gedaen, goet gevonden ende geresolveert, dat in plaetse van schouw een brugh met valbrugge sal worden gemaekt."
Blijkens een resolutie uit dat zelfde jaar, n.l. sept. 1613, dus binnen vier maanden, kon het werk opgeleverd worden.
„alsoo de brugh tot Ouderkerck dewelcke volgende de resolutie van de heeren XXXVI Raden van XII Juny lestleden word gemaeckt, in sulcke state is gebracht, dat men deselve eerstdaeghs sal mogen gebruycken, ende mitsdien ordre dient gestelt en geresolveert op 't ophalen van de valbrugge, mitsgaers het overrijden ende passeren van dezelve brugh; soo is, nae deliberatie hierop gehouden verstaen ende geresolveert dat alle schepen ende schuyten, die met staende masten deur de voorz. valbrugge willen varen voor het ophalen van de valbrugge elcke reyse sullen moeten geven ende betaelen een halffe stuyver.
Ende aengaende het overrijden en passeren van de voorz. brugh sal daarvan (daardoor) gevolgt worden de oude voet, ende betalen het loon ende Bruggegelt daertoe staende."
Het is ook niet onaardig hier te vermelden: „De ordonatie (rangschikkingen) mitsgaders (alsook) de lijsten van 't loon van de brugh tot Ouderkerck" de verorderingen zoals die indertijd in 1613 door de XXXVI Raden van de stad Amsterdam.
  1. In de eerste, dat alle de schepen ende schuyten in den windt seylende sullen moeten wijcken der (voor de) schepen ende schuyten voor den windt afcomende om deur de voorz. brugh te varen op de boete van drie guldens.
  2. Alle de schepen en schuyten die met leggende masten deur de voorz. Brugh begeeren te varen, sullen niet vermogen onder de valbrugh, maer wel op een andere plaetse deur te varen, daer het haer sal believen, op pene van een gulden. (Oud-archief, A'dam.)
  3. Item alle de schepen ende schuyten, die met leggende masten deur voorz. brugh sullen varen, sullen gehouden wesen de seyien inne te nemen vóór de handt aldaar gestelt, en de masten te leggen, opdat de brugh niet worde beschadigt, op pene van drie gulden en de schade te betalen.
  4. Dat alle schepen ende schuyten, die tegen de voorz. brugh sullen varen, verbeuren sullen elcke reyse drie gulden ende gehouden zijn de schade te betalen.
    Ende alle schepen ende schuyten, die mit staende masten deur de voorgeschreven valbrugh sullen varen, sullen moeten, aleer zij deur dezelve valbrugh sullen varen, haer brughgelt gereet leggen ende aen de pachter van de brugh betalen.
    Te weten elcks reyse als sy deurvaren een halffe stuyver, op pene van een gulden.
  5. Item de pachter sal vermogen alle de schepen ende schuyten, die boete schuldich bevonden sullen worden dadelijck aen te houden, om daeraen de boete en het loon te mogen verhalen.
  6. Item sal de voorz. pachter ontfangen van brughloon ofte tolgelt als volgt:
    Van yder vreemt persoon niet geseyt, die van outs vrij geweest zijn; een duyt;
    Van een wagen met paert, 't zij dat een of meer paerden voor de wagen zijn; een halve stuyver;
    Van een geladen wagen, anderhalve stuyver;
    Van een mudde goets; een oortgen;
    Een man met gesaelt paert; een halve stuyver;
    Van een paert en een koe elck vier penninghen;
    Van schapen ende varkens ijder: een penningh;
    Alle jonge suyghende beesten, mitsgaders de jonge kinderen aen de moeders borsten zijn van brughgelt vrij.
  7. Item yder huysgesin in den ronden hoep van Ouderkerck als Waerthuysen, buiten Bullewyck, onder de Wever, mitsgaeders yder huysgesin in den binnen Bullewyck ende in Boechol aal jaerlijcx betalen een bijl hennep.
    Ende die huysgesinnen die geen hennep teelen, sullen geven geit in plaetse van hennep.
    Ende van huysgesinnen die vermogende zijn als in het Duivendregt, Cleyn Duivendregt ende Hoolendregt sullen jaerlicx met den pachter voor haer tolreght ofte brughgelt mogen accorderen.
    Ende die niets begeren te accorderen zal telckmael voor tolrecht betalen een duyt voor sijn persoon ende voorts voor sijn goederen ofte waren gelijck als anderen."

overbrugging2
L. Bakhuizen (161_ - 1708), Gezicht op de Amstel bij Ouderkerk
collecties mr. C. P. van Eeghen

De stad Amsterdam, die sedert 1529 gerechtigd was om bruggeld te heffen voor de oeververbinding over de Amstel, waaraan de heerlijkheid Nienwer-Amstel was gelegen (Amsterdams bezit sedert 1399), was natuurlijk wel verplicht het onderhoud van de brug te bekostigen.
In 1623 kreeg Amsterdam het recht om het bruggegeld te verdubbelen, nadat zij zich volgens octrooi met de Staten verplicht had om de gehele Amsteldijk ten westen van de rivier, ook voor het verkeer in de winter, in orde te houden.

Dag en nacht dienst

Over het bedienen van de brug schreef de Amsterdamse historicus Jan Wagenaar:
„De huurder houdt twee knegts, van welken dc een bij dag, en de ander bij nagt past op het ophaalen der brugge, ten dienste der doorvarende schepen en schuiten en op het ontvangen van 't bruggeld van voetgangers (voor wandelende Amsterdammers een onwelkome verrassing), paarden en rijtuigen.
Burgemeesteren van Amsterdam hebben, bij eene schikking van den dertigsten October des jaars 1911 de opgezetenen van Ouderkerk, boven en beneden de tolbrug, klein Duivendrecht daaronder begrepen tot aan de plaats van Jacob van Nuijs (in 1766 Goossen van Bommel toebehorende, volgens de kaart van Gerrit Drogenham lag de plaats van Jacob van Nuijs schuin over de Mijlpaal, aan do oostzijde van de Amstel op de grenslijn van de Klein- en de Groot-Duivendrechtse polder.) doch verder niet (de Groot-Duivendrechtse polder viel er buiten) benevens die van de Bullewijk en Ronde Hoep, voor hun en hunne huisgezinnen vrij verklaard van het bruggeld te Ouderkerk, zooals zij van ouds geweest waren, mits zij alleenlijk twaalf stuivers 's jaars betalen.
(Elk huisgezin van Nieuwer-Aemstel moet, om vrij te wezen van bruggeld te Ouderkerk, jaarlijks ƒ 1,50 betalen; en indien door hen een paard en rijtuig wordt gehouden, moet zes gulden per jaar betaald worden.)
Doch deeze vrijheid kan ten opzichte van de schepen en schuiten niet genooten worden, dan nadat men dezelve bij den pagter heeft aangegeven.
Also den heeren burgemeesteren der stad Amsterdam gebleeken is, dat de inwooners van Ouderkerk, de Bulwijk, de Ronde Hoep en van de vijf huizen in Aesdom
(onder de vijf huizen in Aesdom, werden de hofsteden verstaan, die bewoond zijn geweest door de heren: Jac Blokland de buitenplaats „Kievitsheuvel" die verdwenen is, de naam werd bewaard, Gerrit Schoonhoven, Jac van den Bosch en Jan van Schaik.)
dagelijks komen te passeeren de brugge van Ouderkerk, te land en te water met wagens, karren, schietschuiten, turfponten en ander vaartuig, geladen met vreemde persoonen, waaren of koopmanschappen, zonder dat zij betalen den daartoe bij haar Ed.ie volgens de generaale lijsten gestatueert, sustineerende, dat zij jaarlijks vrij zijn voor een zeekere geprivilegeerde zomme; soo is het, dat mijne voors. heeren tot nadere uytlegging haarer E.E. ordonnatie en dienvolgens tot wederwegneeminge derselver differenter, bij deze gedagt hebben, een ieder die zulks aangaat, bekent te maaken, dat haar E.E. meeninge is, dat die van Ouderkerk, de Bulwijk, de Ronde Hoep en van de vijf huyzen in Aesdom het regt haarer voorz. previlegien dan alleenlijk zullen genieten, wanneer zij met haar eyge geselschap, propre goederen, waaren ofte koopmanschappen, de voor bruggo komen te passeeren; en wanneer zij koomen te voeren vreemde luyden, ofte derselver waaren en koopmanschappen, hetzij zij daarvan vracht genieten of niet, dat zij alsdan zullen behouden zijn den tol te betalen in alles gelijk de ordinaire en ongeprivilegeerde waagens ende schuyten conform de ordonnantie daarvan zijnde.
Actum in Amsterdam den 28 May 1652. In kennisse van mij; Secretaris N. Nicolai.
Om welke reden de genoemde inwoners „gesustineerd hebben jaarlijks vrij te zijn voor zekere geprivilegeerde zomme", was niet te achter halen.
Wel blijkt dat de pachter van de brug de bewoners van de „vijf huizen in Aesdom" niet onder de „geprivilegleerden" wilde opnemen.
Ten bate van den heer Goulart is destijds de buitenplaats Kievitsheuvel door „burgemeesteren en regeerders van Amsterdam" een vergunning of resolutie vrijgegeven tol te betalen.

overbrugging3
Gexicht op houten brug over de Armstel bij Onderkerk.
De foto is genomen vanaf de toren van de Urbanuskerk en dateert waarschijnlijk van ong. 1920.

Ouderkerk werd bezit van Amsterdam

Al had de stad dus reeds sedert 1613 toegang tot het ambacht van Ouderkerk, het was Amsterdam er veel aan gelegen om het ook in bezit te krijgen.
Een poging daartoe werd gedaan in 1658, toen de Staten van Holland enige domeinen van de Generaliteit te gelde gingen maken.
De vroedschap besloot toen om o.a. de ambachtsheerlijkheden Ouderkerk en Diemen aan te kopen.
Maar die wens werd niet vervuld, ook niet in 1674 toen de stadsregering andermaal trachtte om — tot uitbreiding van haar jurisdictie — de hoge heerlijkheid van Ouderkerk en Diemen in pandschap te krijgen.

Het heeft nog geduurd tot 1731, toen de Gecommiteerden weer enige ambachts-heerlijkheden in veiling brachten.
De stad Amsterdam kocht er twee, t.w. Ouderkerk met inbegrip van de buurt Duivendreeht voor ƒ 23.100.— en Diemen met Diemerbrug voor ƒ 10.300,—.
Als eerste ambaentsheren voor de stad werden twee legerende burgemeesters benoemd: Aegidius van den Dempden over Ouderkerk en Gerrit Corver, heer van Velsen, voor Diemen.
Enkele malen heeft de brug bij Ouderkerk een bijzonder aandeel gehad in de geschiedenis van Amsterdam.
In de nacht van 30 juli 1650 passeerde een geheimzinnige schuit van de Utrechtse kant de brug.
Zij verborg de majoor Gentillot met vijftig soldaten, die de opdracht hadden om voor dag en dauw de Regulierspoort te overrompelen.
Zij zouden daarmee de toegang vrijmaken voor een grote krijgsmacht, die onder de Friese stadhouder graaf Willem Frederik van Nassau, bij Abcoude gereed moest staan om Amsterdam te bezetten.
Maar de majoor kon niet aan zijn orders voldoen, omdat hij vergeefs op versterking wachtte.
Een groot deel van de troepen was verdwaald op de Hilversumse heide.
De verrassing mislukte en daarmee de hele aanslag op Amsterdam, die volgens het plan van de jonge stadhouder was beraamd.
Veel later is Ouderkerk nog eens het toneel geweest, nu van een echt krijgsbedrijf.

De Pruisen in het land

Toen de Prulsen in 1787 oprukten naar Amsterdam was op 1 oktober de brug bij Ouderkerk afgebroken en het dorp door vier batterijen verdedigd door schutterij onder kapitein George Hendrik de Wilde.
Zij hielden moedig stand en brachten de vijand zware verliezen toe, zodat hij niet verder kwam.
Maar nadat het gevecht drie uren had geduurd, kregen de verdedigers last om alle verzet op te geven en naar Amsterdam terug te keren.
De Pruisen waren reeds de Leidsepoort binnengerukt en meesters in Amsterdam.
In de aanvang van de 19e eeuw zijn de brug en de toheffing in het bezit gekomen van het Hoogheemraadschap Amstelland.
Dit waterschap beheerde de brug tot 5 april 1906.
Met ingang van die datum was zij in beheer hij de provincie Noord-Holland.
Uit oude prenten valt op te maken dat de brug vroeger een val of klap moet hebben gehad.
Wanneer de brug tot dubbele klapbrug, wipbrug, valbrug of ophaalbrug is verbouwd, is niet bekend.
Reeds vele jaren was zij in elk geval niet meer berekend op het groeiende verkeer.
In 1938 besloot de provincie de brug door de thans nog bestaande grote brug te vervangen.
Deze grote brug is iets meer naar het noorden gebouwd.
Op de plaats van de oude brug werd de toestand weer zoals die in 1500 was; een schouw ofwel pontje onderhoudt er de verbinding,
Voor Ouderkerks dorpschoon was het verlies van de brug een ware ramp.
Zij vormde een prachtig geheel met de schilderachtige bebouwing eromheen en vooral met de kerk.
Zelf was zij bovendien een machtig stuk oud-Hollandse waterbouwkunde.
Het was wat je noemt een brug, met haar stoere hameien en grote balansen, stoer en elegant tegelijk.
Al het houtwerk was steengrauw geschilderd, wat het machtige lijnenspel nog accentueerde.
Voor het verkeer was het helaas een brug der zuchten geworden.
Toen eenmaal het besluit vaststond dat er een moderne brug zou komen, kwam de provincie op het zeer te loven idee de oude brug voor het nageslacht te bewaren door haar in het Openlucht Museum in Arnhem te laten herbouwen.
Het oktobernummer van 1931 van het maandblad „Heemschut" bevat een artikel over dit onderwerp en besluit met:
„De eerbiedwaardige brug moet verdwijnen!
Het plan voor den nieuwen Rijksweg Haarlem-Amersfoort kruist den Amstel ongeveer 100 meter dichter naar Amsterdam.
Daar zal dus een nieuwe, hooge, en tweede stalen brug komen, ongetwijfeld nuttig, doelmatig, modern, maar zonder geschiedenis.
Jammer, neen diep treurig dat de oude, schilderachtige brug weg moet.
Een stuk schoonheid zal met het afbreken verloren gaan."
en verder:
„Aannemende dat de brug op de verkeerde plaats ligt, is het dan niet mogelijk om een nieuwe brug van hout te maken, in vorm en samenstelling overeenkomend met de bestaande: een enkele ophaalbrug dus, licht geverfd in de sfeer van het dorpsbeeld ?"
Gelukkig maar dat men niet is ingegaan op het voorstel van een nieuwe houten brug, hoe romantisch deze ook tussen beide Amstelbochten zou hebben gelegen.
Wel staat vast dat de provincie, tegen het advies van vooruitziende geesten in, een te smalle brug liet liggen.
Mogelijk was een aquadukt onder deze drukke vaarroute nog het best op zijn plaats geweest.
Dat zou o.i. een betere oplossing zijn geweest dan de twee-miljoen-lelijkerd waar de bewoners van de Burg. Cordesweg nu tegenaan zitten te kijken.
Wat we hier wel gemist hebben zijn de protesten van Heemschut en Amstelstroom.
Maar mogelijk is men daar zo naïef om in de tijdelijkheid van dit gevaarte te geloven.